Overblog Suivre ce blog
Editer la page Administration Créer mon blog
Monde arabe

Monde arabe

Pierre PICCININ da PRATA (Historien - Politologue)

Syrië – Reis naar de hel : In het hart van de gevangenissen van de Syrische inlichtingendiensten (Le Monde, 7.6.2012; L'Espresso, 8.6.2012; Le Soir, 11.6.2012; Neue Luzerner Zeitung, 23.6.2012)

 

 

Homs par Lute Baele

                                                                                               © LB-Pierre PICCININ

 

 

 

  

   

Liban-Syrie-Mai-2012 1195 - Copie[photo : Tal-Biseh]

 

 

 

 

 

 

Schrijven houdt een zware verantwoordelijkheid in. Het is dus belangrijk zijn vergissingen te kunnen erkennen, en ze te kunnen rechtzetten, zeker wanneer het over menselijke wezens gaat...

 

Op 15 Mei 2012 ben ik naar Syrië gegaan voor een derde observatieronde, met als doel het in kaart brengen van de precieze verblijfplaatsen van de bastions van het verzet, en mij een beter beeld te geven van het potentieel van het “Vrije Syrische Leger” - VSL en haar mogelijkheden om het officiële regime omver te gooien.

 

In de eerste plaats heb ik om te beginnen mijn aandacht gevestigd op de grenssteden, waar de meeste aanvallen van het VSL op het Syrische leger plaats vinden, te weten, de steden Deraa, Zabadani, Qousseir, Tal-Kalakh, Homs, Tal-Biseh, Rastan en Idleb, volledig of gedeeltelijk in de ban van het ASL, die logistiek en steun krijgt van zijn achterban in Turkije en Jordanië alsook van medestanders van de Hariri-clan in Noord-Libanon.

 

Tijdens mijn vorige reizen naar Syrië, in Juli 2011 en in December-Januari nadien, had ik de toelating van de autoriteiten en kreeg ik een visum van de Syrische ambassade in Brussel.

 

Dit maal was het niet het geval, en via een ander netwerk heb ik de Libanese grens overgestoken aan de post van Masnaa, om Jdaidit te bereiken, waar bijna ongeloofwaardig, met een beetje geluk een visum kan bekomen worden zonder enige formaliteit. Via Libanon ben ik dus volledig officieel Syrië binnengeraakt (waar ik tijdens mijn doorreis getuige was van de gevechten tussen de Alaouieten uit Tripoli en de Sunnitische Hariri's die hun nederzetting belegerden – bewijs van de uitbreiding van het Syrische conflict naar het buurland Libanon).

 

Na in Damas een auto gehuurd te hebben, heb ik in Syrië rondgereden. Zo heb ik Homs kunnen bezoeken, alsook de ruïnes kunnen fotograferen van de door het Syrische leger gebombardeerde rebellenwijken in Tal-Biseh, onder bewind van de rebellen. Ik heb er de mogelijkheid gehad met soldaten van het VSL te praten alsook met de staf van de plaatselijke bezetter, goed georganiseerd, goed uitgerust en in relatie op logistiek vlak met de andere rebellen eenheden, daarna in Rastan waar het leger de stad, volledig bezet door het VSL, belegert. Ik heb er de gevechten meegemaakt zonder te stad binnen te kunnen. Ik heb verder ook nog Hama bereikt.

 

Op 17 Mei heb ik mij aangemeld bij de check-point van het Syrische leger  voor Tal-Kalakh, in de streek van Homs. Bijna twee uren wachtte ik op de toelating om de stad te mogen binnengaan, toen gewapende mannen mij verklaard hebben dat ik binnen mocht op voorwaarde dat ik met hen meeging in een van hun voertuigen. Wat ik aanvaard heb.

 

In enkele minuten ben ik in de val gelopen en is mijn reis naar de hel begonnen, die dag rond 17 u.

 

Inderdaad, nog maar net in het voertuig, werden mijn handen op de rug geboeid en brachten ze mij naar hun lokalen, waar ik enkele uren alleen gelaten werd in en oververhitte betonnen cel, in de volle zon. Mijn gsm hebben ze mij afgenomen, ik had geen enkel communicatiemiddel meer en ik kon ook niet meer te weten komen waar ik was.

 

Tegen de avond werd ik van daaruit naar het centrum van de inlichtingendiensten van Homs gebracht, waar mijn persoonlijke spullen mij in een eerste vertrek werden afgenomen, alwaar ik reeds, afgeschrikt, dof geschreeuw hoorde; ik wist wel wat er zich daar afspeelde.

 

Na een tijdje hebben twee agenten mij naar een ander gebouw gebracht. Het geschreeuw was opgehouden. Met veel water werden er de vloeren gewassen, blijkbaar om bloedvlekken te verwijderen. Alles was er vies, vuil en versleten; de deuren, de muren, de tegels, alles was er smerig.

 

Ik werd alleen en geboeid achtergelaten in een klein vertrekje, op een stoel voor een tafel bedekt met bloedsporen, braaksel, stukken vingernagels en metalen naalden.

 

Na een uurtje – waarschijnlijk – alleen zijn en sudderen, is een Engelssprekende officier naar mij gekomen, met een ondergeschikte die een uitbrander kreeg en de tafel heeft opgeruimd, terwijl zijn overste naar mij glimlachte.

 

Deze laatste heeft vervolgens een routine identiteitscontrole uitgevoerd, heeft mij bij de arm genomen en naar een ander bureau gebracht. Ik werd van mijn handboeien verlost en heb een zeer vriendelijke ondervraging ondergaan.

 

Vermits ik niets te verbergen had, heb ik op alle vragen geantwoord en dacht ik de officier tevreden gesteld te hebben, tot hij mij in het aanpalende bureau, dat van de bevelhebber, op een laptop de foto's toonde die hij op mijn usb-stick gevonden had, foto's genomen in Tal-Biseh, waar ik in het gezelschap stond van ASL-strijders, terroristen.

 

Hij heeft mij verzekerd dat hij het begreep, in het kader van mijn opzoekingen, en dat hij mij zou helpen, ondanks het feit dat het strafbaar was met rebellen in contact te treden. Binnen enkele uren zou ik vrij zijn. “You are our guest and this place is now your second home” kreeg ik van hem te horen, niet goed wetend hoe ik zijn glimlach moest verstaan.

 

Men heeft mij vervolgens voorgesteld wat te rusten, niet in een cel, maar in de slaapruimte van de veiligheidsagenten. Ik heb er een brits gekregen.

 

Kort daarop zijn twee agenten, die ik er nog niet gezien had, mij komen halen en hebben mij gebracht naar een zaal waar een officier op mij wachtte. Hij heeft mij teken gedaan mijn hemd en schoenen uit te trekken. Zeer angstig over het verdere verloop, heb ik gedaan wat hij vroeg. Zijn twee handlangers hebben mijn handen vastgebonden aan een buis aan het plafond. Alles werd duidelijk... een vierde man bracht vodden en twee emmers water, terwijl men mij de enkels boeide, en is vervolgens weggegaan, de deur achter zich dicht doend.

 

Een van de ondergeschikten heeft mijn sokken uitgetrokken en in mijn keel gepropt. Daarna werd ik geslagen op de rug, de nieren, de buik, de borst: je zou kunnen denken dat niet erg is, maar na slechts enkele slagen wordt de pijn zo intens dat ik heb menen te stikken en verschillende malen flauw te vallen.

 

Terwijl de mannen mij sloegen, stelde de officier mij vragen in een zeer slecht Engels, mij tevens zeggend dat ik moest zwijgen. Maar hoe kon ik zo antwoorden met die prop in mijn keel? Daarbij, ik hoorde hem zelfs niets meer.

 

Na ik weet niet hoe lang dit ondergaan te hebben, heeft men de prop uit mij keel gehaald, werd ik losgemaakt, geboeid en moest gaan zitten op een stoel aan een bureau waarop de officier een doos metalen naalden had omvergegooid. Hij gaf mij de tijd om te bekomen terwijl hij met een naald speelde.

 

De twee ondergeschikten hebben elk een van mijn voorarmen en pols genomen en hebben die stevig op de tafel gedrukt. De officier heeft mijn linker wijsvinger genomen en heeft de naald onder mijn nagel heen en weer geschoven zonder te steken. Hij praatte over mijn relatie met de terroristen, en heeft mij gevraagd waarom ik alleen reisde in Syrië en foto's nam, of ik voor een buitenlandse inlichtingendienst werkte, voor de Fransen, waarom ik van het ene bezette gebied naar het andere reisde, bezet door de “terroristen”...

 

Ik herhaalde alles wat ik reeds gezegd had, wat hem leek tevreden te stellen. Maar hij heeft opnieuw bevolen mij aan de buis vast te hangen en mijn mond vol te proppen.

 

Hij heeft in de gang geroepen en een vierde man is het lokaal binnengekomen met een box met een dikke knop en wijzerplaten. Hij heeft mij twee getande metalen klemmetjes, die met de box verbonden waren,  op mijn tepels vastgeklemd. Langzaam heeft hij dan de knop gedraaid: in het begin heb ik slechts lichte tintelingen gevoeld, maar na enkele seconden werd de pijn scherper; hoe meer de knop gedraaid werd, heer ondraaglijker de pijn werd, gepaard gaande met een hels brandend gevoel.

 

De officier is dan naar mij toe gekomen, heeft op de klemmetjes gespuwd en heeft het speeksel op mijn tefels uitgestreken, wat een plotse versterking van de stroom tot gevolg gehad heeft, samen met een hevige pijn. De agent heeft met de knop gespeeld, de stroom verminderend en versterkend.

 

Daarna heeft men mij ontdaan van de klemmen, losgemaakt maar geboeid op het bureau gelegd, prop in de keel, zonder nog naar mij om te zien en zonder mij nog wat te vragen.

 

De agenten hielden mij stevig vast, de ene bij mijn schouders, de anderen bij mijn nog steeds geboeide enkels. De officier heeft mij gezegd dat ik rustig moest blijven, dat alles in orde was, dat er nog slechts één formaliteit te vervullen was: hij heeft een plastieken regel, die aan de radiator hing, genomen, men heeft mijn benen gestrekt, mijn hoofd hing in het ledige, en hij heeft mij 23 slagen toegediend – ik heb ze geteld - op de zool van mijn voeten. Daarna heeft hij mij aangekeken en met een bijna vriendschappelijke glimlach gezegd: “You don't need handcuffs, now” Zijn ondergeschikten hebben mij terug naar mijn brits gebracht, maar hebben mij toch geboeid.

 

Hoe lang heeft dit alles geduurd?

 

Ik heb heel veel pijn gehad, maar ben er goed vanaf gekomen: gekneusde ribben en enkele lichte brandwonden; bijna niets vergeleken met wat ik nog te zien zou krijgen en met wat mijn celgenoten in de Bab al-Musalla gevangenis van Damas mij later nog zouden vertellen. “Omdat jij uit het Westen komt”, hebben ze mij mij gezegd, “zijn ze niet verder durven gaan,als je een Arabier was geweest, zou je hetzelfde lot ondergaan hebben als die journalist van Al-Jazeera: hij was hier enkele dagen voor jou, ze hebben zijn handen verbrijzeld en zijn kniën gebroken.”

 

Ja, ik heb pijn gehad, maar dat was maar een klapje vergeleken met wat ik gedurende de nacht zou te zien krijgen.

 

Het hoofdeinde van mijn bed bevond zich voor de deur van de kamer, die op de gang uitgaf. Enkele minuten nadat ze er mij teruggebracht hadden, heb ik veel rumoer achter die deur gehoord.

 

En het geluid van de slagen is herbegonnen, het geklets, het geschreeuw, eerst heel luid, daarna onderdrukt door de proppen. Het geklaag en gejammer wanneer de beulen hun slachtoffers even lieten bekomen, wanneer de slagen ophielden. En dan gingen de slagen verder: “Halas, Sidi, halas Sidi” “Genoeg, Mijnheer, genoeg mijnheer!”. En dan geween.

 

Ik begreep nu waarom, eigenaardig genoeg, de agenten in hun slaapzaal sliepen met het volume van hun radio op maximum. Ik had het kunnen denken.

 

In het begin hebben de agenten, die mij moesten bewaken in de slaapzaal, zorgvuldig de deur gesloten na de aflossing van de wacht. Later hebben ze niet meer op mij gelet en heb ik door de open deur alles gehoord en gezien.

 

Horror in de zuiverste vorm, zonder schaamte, naakt, simpel, zoals de cinema het met speciale effecten niet zou kunnen voorstellen en die ik met geen woorden kan weergeven op het ogenblik dat ik deze regels schrijf. Waarvoor ik om vergissenis vraag bij diegenen die daar in de gang in hun bloed, in hun braaksel en in hun urine lagen.

 

Ik was daar, heb alles gehoord, heb alles gezien, en ik heb niets gedaan, verlamd van schrik heb ik, laf, niets gezegd. Terwijl een immense wanhoop mij bekroop.

 

Een agent is plots binnengekomen. Hij heeft mij bekeken. In zijn handen hield hij een paar handboeien, en een dikke elektrische kabel met ontblote uiteinden en aan de andere kant een stekker. Ik heb gedacht dat het voor mij was.

 

In mijn hoofd was alles klaar en duidelijk; ik mocht niet hopen deze plek te verlaten, alvast niet levend. Indien ik dat alles had mogen zien, was het omdat hun beslissing genomen was: vroeg of laat zouden ze hun werk op mijn lichaam hervatten, erger ditmaal, tot het uiterste gaan, zoveel mogelijk informatie vergaren en mij neerschieten. Wat weerhield hen trouwens? Ze konden de schuld op de oppositie schuiven, op de VSL.

 

Net voor mijn ontvoering, had ik twee interviews gegeven, terwijl ik aan de check-point zat te wachten, aan de ingang van Tal-Kalakh, eentje bij Jacques Aristide, van Voice of America, en eentje bij Laurent Caspari van de Radio Suisse Romande. Dit laatste enkele seconden voor mijn arrestatie. Ik had net aan Laurent Caspari uitgelegd dat ik de toelating had gekregen om Tal-Kalakh binnen te gaan, een stad gedeeltelijk onder controle van de rebellen...

 

De man met de elektrische kabel is weer vertrokken, het was niet voor mij. Enkele minuten later hebben de lampen weer geflikkerd en heeft luid geschreeuw weerklonken, boven ander geschreeuw uit.

 

Mijn deur werd geopend en ik heb het gezien: die brandwonden zijn zeer diep; de stroom gaat door de huid en verkoolt alles waar ze door komt.

 

De ochtend is gekomen, een weinig daglicht kwam in mijn vertrek door een klein raampje.

Niet ver daarvandaan heb ik bombardementen gehoord, waarschijnlijk Syrische tanks in de Baba Amr wijk, waar het verzetsleger nog een weinig actief is.

 

Ik was ervan overtuigd: ik had niets meer te hopen; dit was waar alles stopte voor mij, waar alles zou stoppen, langzaam en in het vreselijke lijden waarvan ik de hele nacht getuige was geweest. In deze vuile en smerige plek.

 

Ik heb mijn aangezicht naar de muur tegenover de deur gedraaid, met mijn duimnagel heb ik in de muur een kruisje gekrast; als katholiek heb ik tegenover God mijn zonden gebiecht, ik heb Hem beloofd, dat als ik hier levend uit kwam, ik overal zou vertellen wat ik er die nacht had gezien; ik heb hetzelfde beloofd aan al degenen die in de gang lagen; ik heb gebeden en gewacht.

 

Het schreeuwen is opgehouden, ik hoorde slechts een weinig gejammer door de deur. De agenten waren in de kamer gekomen, een voor een, ze waren gaan slapen, de radio was uit.

 

Rond 9 u (in de bus heb ik gezien hoe laat het was) is men mij komen halen: de agent heeft mij duidelijk gemaakt dat ik mijn schoenen en hemd moest aantrekken.

 

Wanneer hij de deur geopend heeft, ben ik bleek geworden bij het zien van de vele lenloze lichamen die in de gang aan de muren hingen. De agent heeft mij bekeken alsof hij verwonderd was van mijn reactie, heeft mij trappen af geduwd, richting uitgang, in een politiebus die ons, vier gevangenen en mijzelf, naar een ander centrum van de veiligheidsdiensten van Damas gevoerd heeft.

 

De hele rit verliep met  het luide vaderlandslievende gezang ter ere van president Bashar Al-Assad.

 

We gingen naar het Palestine Branch centrum, dat enkele dagen eerder een bomaanslag had ondergaan.

 

Ik heb er mij volledig ontkleed, ben er tweemaal volledig fysisch onderzocht, en heb opnieuw een ondervraging moeten ondergaan.

 

Ditmaal, geen fysisch geweld meer, maar wel onrechtstreekse intimidaties: terwijl men mij vragen stelde, sloeg een man met een houten lat hevig op een metalen kast, vlak langs mij, en verschillende agenten folterden een oude geblinddoekte man, ze duwden hem op de grond sloegen hem, zetten hem opnieuw recht om daarna te herbeginnen.

 

Ditmaal geen brits, maar de koude vloer.

 

Wanneer de Syrische autoriteiten begrepen hebben dat ik geen gevaar betekende voor hun land, hebben ze mij in een kelderverdieping geworpen van de Bab al-Musalla burgerlijke gevangenis, om daarna uit het land gezet te worden.

 

Ik werd erheen gebracht in een bestelwagen met verduisterde ramen. Een jongen van 14 of 16 jaar, met zijn handen op de rug geboeid, zat tegenover mij. Zijn naakte benen waren met elektrische draden verbrand, bedekt met zwarte kraters ter breedte van een broeksknoop.

 

Ik werd voor hem uit de wagen gehaald. Ik weet noch waar hij naartoe gebracht is, noch wat er van hem geworden is. En ik ken zijn naam niet.

 

Men heeft mij opgesloten in een cel met politieke gevangenen, hun solidariteit was uitzonderlijk. Zij hebben mij verzorgd, eten gegeven, hebben mij met het wassen geholpen, hebben mij een ligbed en een deken bezorgd.

 

Sommigen onder hen bevonden zich al meer dan twee jaar in deze cel, zonder keldergat, zonder zonlicht, zonder te weten of het buiten dag of nacht is. De meesten werden voordien gefolterd. Ahmed heeft mij de 28 dagen verteld, gefolterd door de inlichtingendiensten, hoe hij met kabels en stokken geslagen werd, meerdere keren per dag, gedurende bijna een maand, een foltering zonder einde.

 

In deze gevangenis heb ik gedetineerden uit verschillende landen ontmoet: Algerijnen, Saoudi's, Irakezen, Soudanezen, Somaliërs, Palestijnen, Syriërs natuurlijk, waarvan velen, verondersteld uit het land gezet te worden, een eeuwigheid wachten, de menselijke eeuwigheid van de opsluiting, op een bevel of op hulp om uit dit rattenhol te kunnen geraken.

 

Het meest beklijvende verhaal is dat van Mouhammad, uit Kachmir, opgesloten sedert meer dan zes maanden: voor de Indische ambassade is hij Pakistanees, voor die van Pakistan is hij Indiër. Iedereen van zijn familie is gestorven. Hij is alleen op de wereld. Meermaals per dag zet hij zich in een hoekje om er in stilte te huilen.

 

Er is ook nog Ali, een Kazakstaan, aangehouden, paspoort verloren. Zijn ambassade heeft hem laten weten dat hij niet ingeschreven is in de bevolkingsregisters; sedert maanden verblijft hij daar, zonder identiteit, hij bestaat niet meer. Aan zijn lot overgelaten, zoals verscheidene politieke vluchtelingen  met een UNO-paspoort. Corrupt tot en met, behandelen de UNO-ambtenaren voor de vluchtelingen alleen die dossiers van degen die het “matabiche” kunnen betalen.

 

Want alles moet betaald worden. Bij zijn aankomst ledigt de gevangene zijn zakken en opent hij zijn bagage, als hij die nog heeft. De bewakers worden wild, hun ogen wijd opengesperd wanneer zij geld zien.

 

Zij nemen wat hen aanstaat: kledij, schoenen, parfum, ... Zij verdelen een deel van het geld, zoniet alles.

 

In mijn geval, hebben ze mij alles afgenomen wat de inlichtingendiensten mij hadden teruggegeven.

 

Wie buiten geen familie heeft om te betalen voor het eten, krijgt slechts één maaltijd per dag, altijd hetzelfde, en niet elke dag: broodgaletten, uien, een kommetje rijst wordt in de cel gegooid en alle gedetineerden werpen zich erop.

 

Geen zeep, geen tandenborstel, geen propere kleren.

 

Zonder geld en zonder telefoon, bevond ik mij zelf in deze kafkaïaanse toestand: om uit het land te kunnen worden gezet, moet iemand van buiten zich melden met een vliegtuigticket op naam van de gevangene, die dan naar de luchthavengevangenis gevoerd wordt, in afwachting van de vlucht.

 

Niemand, echter, wist dat ik mij in de Bab al-Musalla gevangenis bevond.

 

Met de hulp van mijn celgenoten heb ik een bewaker kunnen omkopen om alzo een bericht naar de buitenwereld te sturen.

 

Het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft onmiddellijk alles in het werk gesteld om mij vrij uit Syrië te halen. Op 23 Mei werd ik bevrijd.

 

De dag voor mijn bevrijding, is er een jonge Syriër in Bab al-Musalla aangekomen. Hij werd gearresteerd omdat hij zich valse papieren had laten maken om te kunnen ontsnappen aan de legerdienst. “Ze gaan mij verplichten onschuldige mensen te doden” heeft hij mij gezegd. “Maar ik verkies mijzelf te doden”. Terwijl ik op vrije voeten werd gesteld, werd hij door de inlichtingendiensten onder handen genomen.

 

Hij heeft mij zijn naam gegeven, en via Facebook tracht ik hem sindsdien te contacteren, zonder succes.

 

Deze zes dagen in de hel, die ik beleefd heb, de nacht tijdens dewelke ik gefolterd werd, in Homs, en waar ik vooral mijn lotgenoten heb zien en horen folteren, op een veel hevigere manier dan dat ik gefolterd was geweest, waren voor mij intense momenten van lichamelijk en geestelijk lijden.

 

Ik betreur echter niet hiervan getuige geweest te zijn: nu moet ik getuigen in naam van al diegenen die ik daar achtergelaten heb.

 

Tot op heden heb ik steeds, wat Syrië betreft, heb ik steeds de principes van het Westfaalse recht alsook die van de nationale soevereiniteit en de niet-inmenging verdedigd.

 

Ik heb de neokoloniale oorlogen in Afganistan, Irak of Lybië aangeklaagd, gevoerd wegens economische honger en geostrategische doeleinden, en waarvan de humanitaire doelen slechts voorwensels waren.

 

Maar met de horror voor ogen, voor elk van die mannen die ik gezien heb, vreselijk verminkt door barbaren ten dienste van een dictatuur waarvan ik de durf en de graad van geweld niet kon inschatten, sta ik nu aan de zijde van hen die een oproep doen voor een gewapende interventie in Syrië, die de verschrikking van het Baäthistisch regime zou kunnen omverwerpen; zelfs indien het land een burgeroorlog moet ondergaan, indien deze moeilijke stap nodig is, moet hij gezet worden om een einde te kunnen stellen aan 42 jaren terreur zodanig georganiseerd dat ik het niet voor mogelijk hield.

 

Nooit zal ik in naam van de Syriërs spreken. Ik verspreid alleen maar het bericht dat de ASL-strijders, de tot de dood gefolterde celgenoten, de vrienden van Bab al-Musalla mij toevertrouwd hebben: Bashar al-Assad heeft volgelingen bij de Alaouieten, bij de Christenen en de andere minderheden, bij de Sunnieten ook, die radikaal islamisme vrezen; maar “Het overgrote deel van de bevolking wil niet meer in dat land leven, dat geen land is maar een regime. Het VSL is klaar. Het heeft reeds het bevel over verschillende bastions, is ook aanwezig in grote steden, in Damas en Alep, onzichtbaar, wachtend op het juiste ogenblik voor een algemene volksopstand. Maar dit ogenblik kan er slechts komen indien de westerse democratieën hen een concrete, militaire hulp bieden. Het VSL heeft de militaire mogelijkheden niet om het hoofd te bieden aan het Syrische leger, een goed uitgerust leger, dat zich sedert een jaar handhaaft zonder haar speciale tankeenheden, vliegtuigen noch helikopters in te moeten zetten, een leger door het regime klaargestoomd om trouw te blijven. Het VSL kan slechts de overwinning behalen indien het Westen het zwaar geschut, de tanks en de luchtmacht, vernietigt. En, indien het Westen deze hulp biedt, zullen vele mensen op straat komen, en zullen tevens vele militairen het verzet steunen; maar op dit ogenblik weten ze dat het regime sterk is en aan het winnen is; zij hebben schrik. Helaas, niemand wil ons helpen. De westerse landen praten veel, kijken toe maar doen niets. Er valt bij ons niets te winnen. Het regime weet dat. Daarom aarzelt het niet om te folteren, te doden en te bombarderen. Het weet dat niemand iets zal ondernemen. Dat het niets te vrezen heeft. Wij staan er alleen voor.” (J. Te Bab al-Musalla).

 

Syrie stelt economisch niets voor dat de Westerse mogendheden zou kunnen aantrekken en motiveren om tussenbeide te komen.

 

Integendeel, goestrategisch heeft de regering van Bashar al-Assad de objectieve steun van de Verenigde Staten, regering die ten opzichte van hen sedert 2001 een toenaderingspolitiek voert.

Van Israël eveneens, die blij is met deze stoere buur, maar die ook een veilige zone waarborgt op de grens van de Golan.

 

Van de Europese Unie, die 98% van de Syrische aardolie opkocht en die nu angstvallig de onstabiele toestand van het land bekijkt, spil in het Midden-Oosten.

 

Van China en van Rusland, waarvan Syrië de laatste arabische bondgenoot is, met een toegang tot de Middellandse Zee.

 

Een Westerse militaire interventie, die de Russische positie zou doen plooien, zou voorzeker een enig feit van engagement van mogendheden zijn in een onderneming waarvan zij geen enkel profijt zouden hebben.

 

Incha’Allah.

 

 

Pierre PICCININ (Politoloog – Geschiedkundige – Brussel)

In Libanon en Syrië (van 12 tot 23 Mei 2012)

 

 

Vertaling : Jean-Louis JADOUL

 

 

 

Le Monde.fr - L'Espresso - Le Soir.be - Neue Luzerner Zeitung

 

 

 

 

 

 

carte syrie

 

 

© This article may be freely published under condition of mentioning the source (www.pierrepiccinin.eu)